ECLI:NL:RVS:2022:160
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering te veel ontvangen kinderopvangtoeslag ondanks reistijd thuiszorgwerk
In deze zaak betwistte appellante de definitieve vaststelling van haar kinderopvangtoeslag over 2016 door de Belastingdienst/Toeslagen, waarbij zij een terugvordering van €12.155,00 moest voldoen. De dienst ging uit van 979 gewerkte uren, terwijl appellante stelde dat de reistijd tussen verschillende werkadressen ook als gewerkte uren meegewogen moest worden.
De rechtbank oordeelde dat appellante onvoldoende had onderbouwd hoeveel reistijd zij had en dat de Belastingdienst terecht de in de regelgeving opgenomen percentages toepaste. In hoger beroep voerde appellante aan dat de dienst onzorgvuldig had gehandeld door niet te reageren op haar nadere stukken en dat het toepassen van artikel 8a van het Besluit kinderopvangtoeslag tot een onredelijke uitkomst leidde.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overwoog dat de dienst niet verplicht was te reageren op de stukken en dat de reistijd volgens de regelgeving niet als gewerkte uren wordt aangemerkt omdat deze is verdisconteerd in de ophogingspercentages. Appellante had de reistijd niet voldoende onderbouwd en er waren geen bijzondere omstandigheden die matiging van de terugvordering rechtvaardigden.
De Afdeling bevestigde daarom het besluit van de Belastingdienst en het vonnis van de rechtbank. Appellante moet het te veel ontvangen voorschot terugbetalen, maar kan een betalingsregeling aanvragen die rekening houdt met haar financiële situatie.
Uitkomst: De terugvordering van het te veel ontvangen voorschot kinderopvangtoeslag over 2016 wordt bevestigd en appellante moet dit bedrag terugbetalen.