ECLI:NL:RVS:2022:1607
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat Wob-verzoek terecht is en vernietiging besluit college Ede
Appellant diende op 29 juli 2019 een verzoek in bij het college van burgemeester en wethouders van Ede op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om diverse documenten met betrekking tot handhavingszaken aan de Veenweg. Het college verleende deels gehoor aan het verzoek en verstrekte stukken, maar verklaarde een bezwaar van appellant tegen het besluit niet-ontvankelijk omdat het verzoek volgens het college geen Wob-verzoek was, maar een verzoek om informatie.
De rechtbank Gelderland oordeelde in juni 2021 dat het verzoek inderdaad geen Wob-verzoek was en verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde echter hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat het verzoek van appellant wel degelijk een Wob-verzoek is, omdat appellant expliciet een beroep deed op artikel 3 van Pro de Wob en er geen uitzonderingen van toepassing zijn die het verzoek als iets anders kwalificeren.
De Afdeling vernietigde daarom het besluit van het college en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat het college een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak. Tevens veroordeelde de Afdeling het college tot vergoeding van de proceskosten van appellant en het griffierecht. De Afdeling benadrukte dat het enkele feit dat appellant de informatie voor eigen gebruik wil, niet uitsluit dat het een Wob-verzoek betreft.
Uitkomst: Het verzoek van appellant is een Wob-verzoek; het besluit van het college wordt vernietigd en een nieuw besluit wordt opgedragen.