ECLI:NL:RVS:2022:1688
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring beroep niet-tijdig besluit
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 12 oktober 2021, waarin zijn verzet tegen de eerdere uitspraak van 4 augustus 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank had het beroep van appellant wegens het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep was ingesteld voordat de maximale dwangsom die het college had verbeurd was verstreken.
Appellant voerde aan dat hij wel in een gunstiger positie had kunnen komen en dat de beleidslijn waarop de rechtbank zich baseerde niet van toepassing was buiten het vreemdelingenrecht. Tevens stelde hij dat de rechtbank de beleidslijn niet ter beschikking stelde, wat een schending van de goede rechtsorde zou zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de eventuele onjuistheid van de uitspraak niet leidt tot een schending van fundamentele rechtsbeginselen die het doorbreken van het appelverbod rechtvaardigt. De verwijzing naar de beleidslijn was voldoende gemotiveerd en het feit dat appellant de beleidslijn later alsnog ontving, maakte de klacht ongegrond.
De Afdeling verklaarde zich daarom onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en bepaalde dat het door appellant betaalde griffierecht wordt terugbetaald.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt terugbetaling van het griffierecht.