ECLI:NL:RVS:2022:1689
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot kennisneming hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep niet-tijdig besluit
Appellant stelde beroep in tegen het niet-tijdig nemen van een besluit, maar de rechtbank verklaarde dit beroep niet-ontvankelijk omdat het college nog dwangsommen verbeurde uit een eerdere procedure. Appellant maakte hiertegen verzet, dat eveneens ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in tegen deze beslissing.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het hoger beroep tegen de uitspraak van 18 augustus 2021 niet-ontvankelijk is op grond van artikel 8:104 Awb Pro, dat hoger beroep tegen uitspraken als deze uitsluit. Alleen bij schending van fundamentele rechtsbeginselen of een goede procesorde kan hiervan worden afgeweken, maar appellant heeft dit niet aannemelijk gemaakt.
De Afdeling wijst het betoog van appellant af dat hij wel in een gunstiger positie had kunnen komen en dat de rechtbank ten onrechte geen nieuwe dwangsomtermijn heeft vastgesteld. De Afdeling benadrukt dat een inhoudelijke bestrijding van het oordeel van de rechtbank niet leidt tot doorbreking van het appelverbod.
De Afdeling verklaart zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt terugbetaald. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en betaalt het griffierecht terug.