ECLI:NL:RVS:2022:1690
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdverklaring hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep niet-tijdig besluit
Appellant stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 augustus 2021, waarin zijn verzet tegen de eerdere uitspraak van 10 juni 2021 ongegrond werd verklaard. In die eerdere uitspraak was het beroep van appellant wegens het niet-tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk verklaard, omdat het college op dat moment nog dwangsommen verbeurde uit een eerdere procedure. De rechtbank oordeelde dat appellant daardoor niet in een gunstiger positie kon komen.
Appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het opvolgende beroep niet-ontvankelijk was, omdat het college anders geen financiële prikkel meer zou hebben om een besluit te nemen. Tevens stelde appellant dat de rechtbank onjuist had verwezen naar jurisprudentie en niet had toegepast dat dwangsomtermijnen kunnen aansluiten.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de wet hoger beroep tegen deze uitspraak uitsluit, tenzij sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen of een goede procesorde. De Afdeling vond dat appellant slechts inhoudelijk het oordeel van de rechtbank betwistte, zonder aan te tonen dat er sprake was van een schending van fundamentele rechtsbeginselen of procesorde.
Daarom verklaarde de Afdeling zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. Tevens bepaalde zij dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt terugbetaald. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en bepaalt dat het griffierecht wordt terugbetaald.