ECLI:NL:RVS:2022:1713

Raad van State

Datum uitspraak
15 juni 2022
Publicatiedatum
15 juni 2022
Zaaknummer
202202726/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestendiging uitspraak rechtbank inzake bewaring vreemdeling

De staatssecretaris heeft op 16 april 2022 besloten de vreemdeling in bewaring te stellen. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 29 april 2022 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees.

De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling overwoog dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of algemene rechtsbescherming, en dat de rechtsvraag reeds eerder door de Afdeling was beantwoord in eerdere uitspraken.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van B. Meijer op 15 juni 2022.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

202202726/1/V3.
Datum uitspraak: 15 juni 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 29 april 2022 in zaak nr. NL22.6718 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 16 april 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 29 april 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S. Guman, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraken van 25 mei 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1444, ECLI:NL:RVS:2022:1452 en ECLI:NL:RVS:2022:1454, over de omstandigheden waaronder een verwijderingsbesluit voor een burger van de Unie is uitgewerkt). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Verweij, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Verweij
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2022
722