ECLI:NL:RVS:2022:1454
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling na uitzettingsbesluit ondanks verblijf buiten Nederland
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 10 oktober 2021 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (F.S.) niet meebrengt dat een verblijf van bijna vijf weken buiten Nederland automatisch betekent dat het verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief is beëindigd. De beoordeling hiervan hangt af van de concrete omstandigheden van het individuele geval, waarbij de rechtbank de duur van het verblijf buiten Nederland terecht heeft betrokken.
Verder oordeelde de Afdeling dat de wettelijke grondslag voor bewaring, artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, voldoet aan het rechtszekerheidsbeginsel en dat het voor de vreemdeling bij het besluit tot bewaring duidelijk en voorzienbaar is wanneer bewaring kan worden toegepast. De overige aangevoerde klachten leiden niet tot vernietiging van de uitspraak. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.