ECLI:NL:RVS:2022:1724
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- H.G. Sevenster
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf in nareiszaak
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 20 december 2018 de aanvragen om machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor de moeder en jongere broer van de referent af. De daaropvolgende bezwaren werden op 2 januari 2020 ongegrond verklaard. De rechtbank Den Haag verklaarde het beroep van de vreemdelingen op 1 juli 2021 ongegrond.
De vreemdelingen stelden in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte bewijsstukken, waaronder een originele geboorteakte en identiteitsdocument van de jongere broer, buiten beschouwing had gelaten omdat deze na het besluit op bezwaar waren ingediend. De Afdeling oordeelde dat deze stukken wel betrokken hadden moeten worden omdat zij feiten betroffen die al bestonden bij het besluit op bezwaar.
Verder oordeelde de Afdeling dat de staatssecretaris het beoordelingskader niet juist had toegepast. De staatssecretaris had onvoldoende onderzocht of de vreemdelingen het voordeel van de twijfel toekwam, mede gelet op de verklaringen over het ontbreken van documenten en het Algemeen Ambtsbericht Soedan. Ook was ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit op bezwaar, en beval de staatssecretaris tot het nemen van een nieuw besluit. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en de staatssecretaris opgedragen een nieuw besluit te nemen.