ECLI:NL:RVS:2022:1897
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking wapenverlof wegens twijfel aan verantwoord wapenbezit
Appellant had een wapenverlof geldig tot 31 maart 2020, dat op 27 juni 2019 door de korpschef van de nationale politie werd ingetrokken vanwege zorgen over zijn geestelijke gesteldheid. Dit was gebaseerd op een mutatierapport met meldingen over agressief gedrag en observaties van politieambtenaren. De minister verklaarde het administratief beroep van appellant ongegrond en ook de rechtbank wees het beroep af.
Appellant voerde aan dat de meldingen onbetrouwbaar waren, ontkende de beschuldigingen en stelde dat de politieambtenaar geen psycholoog is. Tevens overhandigde hij een verklaring van een psychiater waarin geen psychische klachten werden vastgesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat het mutatierapport objectief toetsbaar is en dat de enkele ontkenning onvoldoende is om de juistheid ervan te betwisten.
Gezien de risicofactoren zoals agressie, impulsiviteit en onvoldoende zelfregulatie, en de uitzonderingspositie van wapenbezitters, is er volgens de Afdeling sprake van geringe twijfel die voldoende is voor intrekking van het wapenverlof. De verklaring van de psychiater gaf geen ondubbelzinnig positief oordeel over het verantwoord kunnen toevertrouwen van het wapen aan appellant.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de intrekking van het wapenverlof bevestigd.