ECLI:NL:RVS:2023:3709
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking wapenverlof na betrokkenheid bij vechtpartij en burenconflict
Appellant was betrokken bij een vechtpartij tijdens een schutterstreffen op 18 mei 2019, waarna de korpschef op 24 oktober 2019 zijn wapenverlof introk wegens geringe twijfel aan het kunnen toevertrouwen van wapens en munitie. Hoewel de strafzaak tegen appellant wegens gebrek aan bewijs werd geseponeerd, baseerde de korpschef zich op mutatierapporten die ook een langdurig burenconflict beschrijven.
De minister verklaarde het administratief beroep van appellant ongegrond en de rechtbank Limburg bevestigde dit standpunt op 7 mei 2021. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte zwaardere motiveringseisen negeerde en dat relevante feiten die geringe twijfel uitsluiten buiten beschouwing waren gelaten.
De Raad van State oordeelde dat geringe twijfel aan het verantwoord zijn van het wapenverlof voldoende is voor intrekking en dat de mutatierapporten als objectieve informatie mogen gelden. De betrokkenheid van appellant bij het burenconflict en de vechtpartij, waarbij hij zelf heeft geslagen, rechtvaardigt de conclusie dat het wapenverlof niet langer aan hem kan worden toevertrouwd.
De persoonlijke omstandigheden van appellant en het belang van de schietsport wegen niet op tegen het algemene belang van een veilige samenleving. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van het wapenverlof bevestigd.