ECLI:NL:RVS:2022:2020
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 december 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat bij besluit van 19 april 2021 opnieuw ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat de vreemdeling geen belang meer had bij het beroep omdat hij al in Nederland verbleef en de machtiging bedoeld is voor toegang tot Nederland. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp dit en wees op het rechtsgevolg van de machtiging tot voorlopig verblijf, dat meer omvat dan toegang alleen.
Daarnaast vernietigde de Afdeling het besluit van 5 november 2021 waarin de staatssecretaris het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. De staatssecretaris werd opgedragen binnen vier weken een nieuw besluit te nemen en werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en vernietigt het besluit van niet-ontvankelijkheid, met de opdracht aan de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen.