ECLI:NL:RVS:2022:2074
Raad van State
- Hoger beroep
- W.D.M. van Diepenbeek
- B.J. Schueler
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging last bestuursdwang wegens onduidelijke uitleg gewijzigde exploitatie in exploitatievergunning
De burgemeester van Nijmegen legde op 28 februari 2019 een last onder bestuursdwang op aan appellante om de exploitatie van haar bedrijf te beëindigen, omdat volgens hem de exploitatievergunning door het toetreden van een extra vennoot per 1 november 2016 van rechtswege was vervallen. De rechtbank Gelderland verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat het toetreden van een vennoot geen wijziging van feitelijke activiteiten inhoudt en dus niet leidt tot een gewijzigde exploitatie.
De Raad van State oordeelde dat de APV geen definitie geeft van 'gewijzigde exploitatie' en dat het normale spraakgebruik en de systematiek van de APV eerder wijzen op een wijziging van feitelijke activiteiten dan op een wijziging van de exploitant. Bovendien is het voor appellante niet duidelijk geweest dat het toetreden van een vennoot de vergunning zou laten vervallen. Daarom is toepassing van artikel 2.3.1.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de APV in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de burgemeester, herroept het oorspronkelijke besluit en verklaart het hoger beroep gegrond. Tevens werd de burgemeester veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten aan appellante.
Uitkomst: De last onder bestuursdwang is vernietigd omdat het toetreden van een extra vennoot niet leidt tot een gewijzigde exploitatie en de vergunning niet van rechtswege is vervallen.