ECLI:NL:RVS:2022:2156
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering verbeurde dwangsom wegens niet-uitvoering herstelpand Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde op 4 januari 2019 een last onder dwangsom op aan [appellante] wegens gebreken aan haar pand en stelde een hersteltermijn van zes maanden. Na vaststelling dat de herstelwerkzaamheden niet waren uitgevoerd, werd de dwangsom van €147.000 ingevorderd, later verlaagd tot €73.500. [Appellante] stelde dat zij bezwaar had gemaakt tegen de begunstigingstermijn en dat de dwangsom onterecht was.
De Afdeling oordeelde dat het bezwaar tegen de begunstigingstermijn niet binnen de bezwaartermijn was ingediend en dat de last onder dwangsom derhalve in rechte vaststaat. Ook was er geen sprake van een uitzonderlijk geval dat het alsnog aanvechten van de last zou rechtvaardigen. De stelling van [appellante] dat zij niet op de hoogte was van de verlenging van de begunstigingstermijn en dat het college niet had gereageerd op haar verzoeken, leidde niet tot een ander oordeel.
Verder werd geoordeeld dat de herstelwerkzaamheden niet tijdig waren uitgevoerd en dat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren die invordering van de dwangsom zouden moeten verhinderen. Het college had de invordering bovendien verlaagd vanwege de uitgevoerde herstelwerkzaamheden en miscommunicatie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom van €73.500 bevestigd.