ECLI:NL:RVS:2022:2257
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- R.W.L. Koopmans
- G.O. van Veldhuizen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging sluiting woning wegens handelshoeveelheid softdrugs ondanks betwisting harddrugs
Op 12 juni 2018 werd appellant bij een verkeerscontrole aangehouden met softdrugs, een groot geldbedrag en een stroomstootwapen in zijn auto. Naar aanleiding hiervan werd zijn woning doorzocht waar 2.450 gram hennep en 136,2 gram hasjolie werden aangetroffen. Hasjolie werd als harddrug aangemerkt, hetgeen appellant betwistte.
De burgemeester van Papendrecht besloot de woning voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Appellant maakte bezwaar en stelde dat de bestuurlijke rapportage onjuist en onzorgvuldig was, onder meer omdat de hasjolie niet was getest en er sprake was van hennepafval. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit.
In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de burgemeester bevoegd was de woning te sluiten omdat er sprake was van een handelshoeveelheid softdrugs. De burgemeester mocht uitgaan van de bestuurlijke rapportage en de onderliggende processen-verbaal, die het onderscheid maakten tussen hennep en hennepafval. De sluiting was noodzakelijk ter bescherming van het woon- en leefklimaat en evenwichtig gelet op de ernst van de situatie en de antecedenten van appellant.
De Afdeling oordeelde dat het besluit zorgvuldig was gemotiveerd en dat de nadelige gevolgen voor appellant niet onevenredig waren. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De sluiting van de woning wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.