Eiser huurde een woning die op grond van artikel 13b van de Opiumwet door de burgemeester werd gesloten wegens aantreffen van handelshoeveelheden hennep en hasjolie. De bestuurlijke rapportage waarop het besluit was gebaseerd, bleek onzorgvuldig tot stand te zijn gekomen, met name ten aanzien van de hasjolie die niet als harddrugs kon worden aangemerkt.
De rechtbank oordeelde dat het besluit tot sluiting op basis van deze rapportage onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig was, waardoor het beroep gegrond werd verklaard en het besluit werd vernietigd. Desondanks werd vastgesteld dat er wel degelijk een handelshoeveelheid softdrugs was aangetroffen, en dat de burgemeester op grond van beleidsregels en omstandigheden zoals aanwezigheid van een stroomstootwapen en antecedenten van eiser bevoegd was tot sluiting.
De rechtbank vond de sluiting noodzakelijk en evenredig ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Ook werd geoordeeld dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om zijn zienswijze naar voren te brengen tijdens de bezwaarprocedure. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit werden daarom in stand gelaten.
Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.