ECLI:NL:RVS:2022:2275
Raad van State
- Hoger beroep
- D.A. Verburg
- H.G. Sevenster
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning asiel wegens niet-betrekken nieuwe feiten
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 3 oktober 2019 de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en geweigerd haar ambtshalve een reguliere verblijfsvergunning te verlenen. De vreemdeling, afkomstig uit Syrië, stelde dat de intrekking onrechtmatig was, onder meer omdat de rechtbank niet alle relevante stukken had betrokken in haar oordeel, met name met betrekking tot artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de in beroep ingebrachte stukken niet had betrokken bij de beoordeling van de intrekking en dat de staatssecretaris in beroep de gelegenheid had moeten krijgen om hierop te reageren.
De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees de zaak terug voor herbehandeling, waarbij de rechtbank rekening moet houden met de nieuwe feiten en omstandigheden, waaronder ook de nieuwe verklaring van de Armeense autoriteiten over de nationaliteit van de vreemdeling en het evenredigheidsbeginsel. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor herbehandeling waarbij nieuwe feiten worden betrokken.