ECLI:NL:RVS:2022:2337

Raad van State

Datum uitspraak
11 augustus 2022
Publicatiedatum
11 augustus 2022
Zaaknummer
202105014/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 Vw 2000Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak en vernietiging besluit over afgifte verblijfsdocument gemeenschapsonderdaan

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 3 december 2019 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 20 maart 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 2 juli 2021 ongegrond. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris de vreemdeling niet hoefde te horen over haar bezwaar. Gezien de aangevoerde argumenten in de bezwaarfase was het niet redelijk om aan te nemen dat het bezwaar geen ander oordeel kon opleveren dan het oorspronkelijke besluit. Hierdoor had de staatssecretaris de vreemdeling moeten horen.

De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 20 maart 2020, en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. Het verdere beroep wordt niet inhoudelijk behandeld omdat het hoger beroep gegrond is verklaard op procedurele gronden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit en uitspraak worden vernietigd en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitspraak

202105014/1/V2.
Datum uitspraak: 11 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 juli 2021 in zaak nr. 20/2694 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 3 december 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 20 maart 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.I. Siers, advocaat te Nijmegen, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De vreemdeling klaagt in haar tweede grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris ervan kon afzien haar over haar bezwaar te horen. Gelet op wat de vreemdeling in de bezwaarfase heeft aangevoerd, kan namelijk niet op voorhand worden gezegd dat er in dit geval redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een ander oordeel dan vervat in het besluit van 3 december 2019 (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5.2 en 5.3). De staatssecretaris had de vreemdeling daarom in dit geval in bezwaar moeten horen.
1.1.    De grief slaagt.
2.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 20 maart 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 2 juli 2021 in zaak nr. 20/2694;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 20 maart 2020, V-[…];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.      gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 448,00, voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A. van de Sluis, griffier.
w.g. Verheij
voorzitter
w.g. Van de Sluis
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2022
802-984