ECLI:NL:RBDHA:2023:20706
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- D. Bruinse - Pot
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU-burger wegens onvoldoende bewijs verblijf Duitsland
Eiseres verzocht om afgifte van een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat zij samen met haar echtgenoot (referent) meer dan drie maanden in Duitsland zou hebben verbleven en daar gezinsleven had opgebouwd. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijk verblijf. Na eerdere procedures en een vernietiging door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, werd eiseres alsnog gehoord.
Eiseres overlegde diverse administratieve en feitelijke bewijsstukken, waaronder Duitse verblijfsvergunning, huurovereenkomst, bankafschriften, getuigenverklaringen en foto’s. De staatssecretaris concludeerde dat deze stukken onvoldoende waren om het vereiste verblijf van drie maanden aan te tonen, mede omdat veel bewijs momentopnames betrof en getuigenverklaringen beperkt bewijs opleveren.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris het bewijs zorgvuldig en in onderlinge samenhang had beoordeeld en dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk drie maanden in Duitsland verbleef. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en bijzondere medische omstandigheden werd verworpen omdat deze niet tot een andere uitkomst leiden. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van daadwerkelijk verblijf van drie maanden in Duitsland.