ECLI:NL:RVS:2022:2366

Raad van State

Datum uitspraak
16 augustus 2022
Publicatiedatum
16 augustus 2022
Zaaknummer
202203212/1/V2 en 202203212/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 91 Vw 2000Art. 92 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 oktober 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 22 maart 2021 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 mei 2022 het beroep ongegrond verklaarde.

De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening. De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen gronden bevat die vragen om vernietiging van het vonnis van de rechtbank. De betwisting van het mvv-vereiste faalde, mede omdat de rechtbank terecht verwees naar het arrest Yön van het Hof van Justitie van de EU en eerdere jurisprudentie.

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde het vonnis van de rechtbank en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.H. van Breda op 16 augustus 2022.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning en wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Uitspraak

202203212/1/V2 en 202203212/2/V2.
Datum uitspraak: 16 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van Pro de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 2 mei 2022 in zaak nr. NL21.4782 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 30 oktober 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om haar een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 22 maart 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 2 mei 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A.W.J. van der Meer, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Voor zover de vreemdeling betoogt dat het tegenwerpen van het vereiste van een machtiging tot voorlopig verblijf (het mvv-vereiste) in haar geval strijd oplevert met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel, slaagt dit niet. De rechtbank heeft namelijk, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 7 augustus 2018, Yön, ECLI:EU:C:2018:632, terecht overwogen dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat en waarom de door de vreemdeling aangevoerde feiten en omstandigheden niet voldoende zijn voor de conclusie dat het tegenwerpen van het mvv-vereiste onevenredig uitwerkt (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001).
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Iedema
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2022
915