ECLI:NL:RVS:2022:2420

Raad van State

Datum uitspraak
22 augustus 2022
Publicatiedatum
22 augustus 2022
Zaaknummer
202102406/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 9 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing aanvraag rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 13 mei 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, dat op 28 augustus 2020 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 12 maart 2021 ongegrond.

De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Deze oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris het bezwaar zonder hoorzitting mocht afwijzen. De staatssecretaris had de vreemdeling in de bezwaarfase moeten horen, gelet op de aard van de aangevoerde bewijsstukken en omstandigheden.

De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 28 augustus 2020. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. Hiermee is het hoger beroep gegrond verklaard en het besluit terugverwezen voor heroverweging met inachtneming van de hoorplicht.

Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak van de rechtbank zijn vernietigd, en de staatssecretaris is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202102406/1/V2.
Datum uitspraak: 22 augustus 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2021 in zaak nr. 20/7184 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 13 mei 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, waaruit rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan blijkt, afgewezen.
Bij besluit van 28 augustus 2020 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 12 maart 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K.L. Sett, advocaat te Vleuten, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De vreemdeling klaagt in haar eerste en tweede grief dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft toegekend aan de bewijsstukken die zij bij haar bezwaarschrift heeft overgelegd en ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris, gelet op de inhoud van dat bezwaarschrift, het bezwaar niet ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard en daarom heeft kunnen afzien van een hoorzitting in de bezwaarfase (artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb).
2.       Zoals de Afdeling heeft overwogen bij uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, is het uitgangspunt dat een vreemdeling wordt gehoord in bezwaar en dient de staatssecretaris terughoudend om te gaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. Gelet op alles wat de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd, bezien vanuit de onder 5.2 van die uitspraak genoemde gezichtspunten, kon de staatssecretaris in dit geval redelijkerwijs niet tot het oordeel komen dat het bezwaar ongegrond was zonder de vreemdeling in de gelegenheid te stellen gehoord te worden over haar aanvraag. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
2.1.    De grieven slagen.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 28 augustus 2020 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 12 maart 2021 in zaak nr. 20/7184;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 28 augustus 2020, V-[…];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 augustus 2022
314-936