ECLI:NL:RBDHA:2021:4620
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op afgeleid verblijfsrecht wegens ontbreken uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen. Vervolgens is het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing kennelijk ongegrond verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank heeft tijdens de mondelinge behandeling vastgesteld dat eiseres onvoldoende heeft aangetoond dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen haar en haar meerderjarige zoon dat hij feitelijk gedwongen zal zijn de EU te verlaten indien aan haar geen verblijfsrecht wordt toegekend. Hierbij is het arrest K.A. van het Hof van Justitie van de Europese Unie van belang, waarin wordt gesteld dat een afgeleid verblijfsrecht voor een familielid alleen in zeer uitzonderlijke situaties ontstaat.
Eiseres heeft schriftelijke verklaringen van derden overgelegd, maar deze zijn niet afkomstig uit objectief verifieerbare bronnen en missen relevante deskundigheid. Ook de verklaringen over voedselallergie en psychische klachten van de zoon zijn niet onderbouwd met objectief bewijs. De rechtbank concludeert daarom dat geen sprake is van een uitzonderlijke situatie die een afgeleid verblijfsrecht rechtvaardigt.
De staatssecretaris heeft terecht vastgesteld dat eiseres geen afgeleid verblijfsrecht heeft op grond van artikel 20 VWEU Pro en het arrest Chavez-Vilchez. Er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling en het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie die een afgeleid verblijfsrecht rechtvaardigt.