Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopEiser heeft op 3 maart 2022 een aanvraag ingediend voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000)
Overwegingen
a. het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen, en
b. twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is.
Aussetzung der Abschiebungonderbouwt niet de gestelde intrekking van de internationale bescherming, aldus verweerder. Nu eiser in Duitsland internationale bescherming geniet levert dit volgens verweerder een sterke(re) band op met Duitsland, zodat van eiser mag worden verwacht dat hij terugkeert naar Duitsland. Volgens verweerder bestaat voorts geen aanleiding om te concluderen dat ten aanzien van Duitsland in algemene zin niet mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De hoge drempel van zwaarwegendheid uit het arrest Ibrahim wordt niet bereikt en eiser heeft geen concrete aanknopingspunten geboden op grond waarvan moet worden aangenomen dat Duitsland zich jegens hem niet houdt aan de verdragsverplichtingen. Mocht eiser wensen om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op basis van artikel 8 van Pro het EVRM, dan dient hij hiervoor een separate aanvraag in te dienen, aldus verweerder.
Aussetzung der Abschiebung, kan evenmin leiden tot een ander oordeel. Het doorhalen van dit document lijkt veeleer te maken te hebben met de geldigheidsdatum van de vergunning die is verlopen per 13 mei 2022, zoals blijkt uit zowel dit document als uit de informatie van de Duitse autoriteiten. Uit de doorhaling kan in ieder geval niet worden afgeleid dat de internationale bescherming is ingetrokken en de gedingstukken bieden hiervoor verder ook geen aanknopingspunten. Zolang de aan eiser verleende beschermingsstatus niet is ingetrokken of beëindigd, geniet eiser, ook indien zijn verblijfstitel is verlopen, internationale bescherming. Intrekking of beëindiging van internationale bescherming kan alleen geschieden op grond van in het Unierecht limitatief opgesomde gronden en vereist een besluit dat is gebaseerd op een individuele beoordeling. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen concrete aanwijzingen of aanknopingspunten heeft gegeven dan wel documenten en/of andere bewijsstukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat de internationale beschermingsstatus is ingetrokken of beëindigd. Eisers stelling dat sprake is van een intrekking die in beroep zou zijn bevestigd vindt bovendien geen bevestiging in de door de Duitse autoriteiten verstrekte informatie. Daaruit blijkt immers dat nog geen intrekkingsbesluit is genomen. De enkele omstandigheid dat de informatie over de datum van de internationale bescherming in Eurodac verschilt van de informatie in de brief van de Duitse autoriteiten van 8 juni 2022 (19 oktober 2017 versus 27 april 2017) leidt ook niet tot een ander oordeel. Dit verschil heeft immers betrekking op het moment van toekenning van de internationale bescherming aan eiser, niet op de intrekking ervan.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel / verdragsverplichtingen
wordtverklaard indien de voorwaarden daarvoor zijn vervuld. Voorts kan in dit verband nog worden gewezen op de tekst van paragraaf C2/6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) waarin de bescherming van de vreemdeling in een andere EU-lidstaat wordt beschouwd als een omstandigheid op grond waarvan de aanvraag niet ontvankelijk
is. Niet is gebleken dat dit uitgangspunt kennelijk onredelijk is. Door eiser zijn ook geen feiten of omstandigheden gesteld op grond waarvan de toepassing van verweerders bevoegdheid in dit geval als onredelijk of onevenredig moet worden beschouwd. Daarom mocht verweerder toetsing aan artikel 8 van Pro het EVRM in deze asielprocedure achterwege laten en zich op het standpunt stellen dat eiser voor dit verblijfsdoel een separate aanvraag moet indienen. De rechtbank merkt daarbij tevens op dat het onderhavige verzoek om internationale bescherming ook niet lijkt te zijn ingegeven door de behoefte aan internationale bescherming als zodanig, aangezien hieraan reeds is voldaan in Duitsland, maar door eisers wens om in Nederland de eenheid van zijn gezin te verzekeren. Eiser heeft ook met zoveel worden verklaard dat hij graag asiel wil aanvragen omdat zijn kinderen en moeder hier in Nederland zijn (proces verbaal van gehoor van 3 maart 2022), dat de reden van zijn asielaanvraag voornamelijk is vanwege zijn kinderen die hier wonen (aanmeldgehoor van 16 maart 2022) en dat hij juist hier kwam voor zijn kinderen (gehoor van 30 mei 2022). Voor de beoordeling van louter dit verblijfsdoel is een separate aanvraag ex artikel 8 van Pro het EVRM de meest aangewezen procedure (waarbij dan tevens de belangen van de kinderen van eiser kunnen worden betrokken en gewogen), niet de onderhavige asielprocedure waarin is geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag omdat Duitsland reeds eerder internationale bescherming heeft verleend aan eiser.
De uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2022 waarnaar eiser ter onderbouwing van zijn standpunt heeft verwezen (zie rechtsoverweging 14) is in zoverre niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. In de zaak die heeft geleid tot deze Afdelingsuitspraak was immers geen sprake van de afwijzing van een asielaanvraag op niet-inhoudelijke gronden waarbij doortoetsen blijkens de wetsgeschiedenis niet is aangewezen, maar van een afwijzing van een aanvraag voor een document als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000 waarbij verweerder moet motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de algemene bevoegdheid ex artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb 2000 als een impliciet of expliciet beroep wordt gedaan op artikel 8 van Pro het EVRM. Gelet hierop volgt de rechtbank ook niet de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 4 oktober 2022 waarnaar eiser heeft verwezen (zie ook rechtsoverweging 14).
Beslissing
- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen, vastgesteld op
- verklaart het beroep tegen het alsnog genomen besluit ongegrond.