ECLI:NL:RVS:2022:2451
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning tijdelijke mantelzorgwoning met voorschrift en instandhoudingstermijn
Het college van burgemeester en wethouders van Epe verleende op 12 juni 2019 een omgevingsvergunning aan appellant voor het bouwen van een tijdelijke mantelzorgwoning op een perceel met bestemming 'Bos' en 'Wonen'. Het perceel betreft een locatie met bijzondere natuurlijke en landschappelijke waarden. Het college verbond aan de vergunning een voorschrift dat de mantelzorgwoning binnen twee maanden moet worden verwijderd indien deze zes maanden niet meer voor mantelzorg wordt gebruikt.
Appellant stelde zich op het standpunt dat dit voorschrift onredelijk was en niet in de vergunning had mogen worden opgenomen, mede omdat de mantelzorgwoning na tien jaar toch gesloopt moet worden. Daarnaast voerde appellant aan dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat vergelijkbare vergunningen zonder een dergelijk voorschrift waren verleend. De rechtbank vernietigde het besluit van het college op bezwaar, waarna het college een nieuw besluit nam waarin het voorschrift in de vergunningvoorschriften werd opgenomen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het college terecht het voorschrift heeft verbonden aan de vergunning vanwege de bijzondere ligging binnen de bestemming 'Bos' en de noodzaak om leegstand te voorkomen. Het college heeft bovendien aannemelijk gemaakt dat de situaties met eerdere vergunningen niet vergelijkbaar zijn omdat die niet op bosgrond betrekking hadden. Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard. De instandhoudingstermijn van tien jaar vangt aan op 12 juni 2019, niet op het nieuwe besluit van 2 augustus 2021, omdat appellant vanaf juni 2019 van de vergunning gebruik kon maken.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college wordt bevestigd.