ECLI:NL:RVS:2022:2469
Raad van State
- Hoger beroep
- J.TH. Drop
- P.H.A. Knol
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid handhaving omgevingsvergunning windpark De Drentse Monden en Oostermoer
De zaak betreft een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland over handhaving van vergunningvoorschriften voor het windpark De Drentse Monden en Oostermoer. De vereniging Dorpsbelangen Gasselternijveenschemond verzocht de minister om handhavend op te treden tegen het geplande vermogen en milieuaspecten van het windpark. De minister verklaarde dit verzoek niet-ontvankelijk omdat de brief van 20 maart 2019 geen besluit zou zijn. De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de minister niet bevoegd is voor handhaving, maar dat deze bevoegdheid bij het college van burgemeester en wethouders ligt.
De vereniging en het college stelden zich op het standpunt dat de minister wel bevoegd gezag is, mede vanwege de indeplaatsstelling op grond van artikel 3.36 Wro en de omvang van het project. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter vast dat de hoofdregel van artikel 2.4 Wabo geldt: het college van de gemeente waar het project in hoofdzaak wordt uitgevoerd is bevoegd gezag voor handhaving. De indeplaatsstelling van de minister betreft alleen het besluit zelf, niet de handhaving.
De Afdeling bevestigt dat de brief van 20 maart 2019 een besluit is in de zin van de Awb omdat het een inhoudelijke beoordeling bevat over de bevoegdheid tot handhaving. De Afdeling wijst het hoger beroep af en bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden. De vereniging wordt geadviseerd een nieuw verzoek tot handhaving in te dienen bij het bevoegde college.
De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister is niet bevoegd tot handhaving van de omgevingsvergunningen; deze bevoegdheid ligt bij het college van burgemeester en wethouders.