Uitspraak
Datum uitspraak: 14 september 2022
BESTUURSRECHTSPRAAK
lid van de enkelvoudige kamer
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag verleende op 31 januari 2018 een omgevingsvergunning aan appellant sub 2 voor het verbouwen van een pand tot 24 appartementen, waarbij werd afgeweken van het bestemmingsplan en de parkeernormen. Het bestemmingsplan vereiste parkeerruimte op eigen terrein, maar het college stelde dat elders gehuurde parkeerplaatsen voldoende waren.
De rechtbank verklaarde beroepen van appellanten gegrond en vernietigde het besluit vanwege onduidelijkheid over de toegepaste parkeernorm voor de oude functie van groepswoningen voor verslaafden. Het college nam een nieuw besluit, waarbij het uitging van een norm van 0,3 parkeerplaats per zorgwoning en stelde dat zes parkeerplaatsen elders waren gehuurd.
Appellanten betwistten dat het college de afwijkingsbevoegdheid mocht toepassen en dat de parkeerplaatsen op circa 500 meter afstand geschikt waren. De Afdeling oordeelde dat het college terecht uitging van de norm en dat de loopafstand binnen de richtlijnen viel. Wel werd geoordeeld dat het besluit vernietigd moest worden omdat geen handhaafbaar voorschrift was verbonden aan de vergunning over de beschikbaarheid van de parkeerplaatsen elders.
De Afdeling verbond zelf een voorschrift aan de vergunning dat de appartementen niet in gebruik mogen worden genomen zonder gewaarborgde beschikbaarheid van ten minste zes parkeerplaatsen op de gehuurde locatie of een andere goedgekeurde locatie. Tevens werden proceskosten toegekend aan appellanten en partij.
Uitkomst: Omgevingsvergunning voor verbouwing tot 24 appartementen blijft van kracht met voorschrift over beschikbaarheid van zes parkeerplaatsen elders.