ECLI:NL:RVS:2022:2779
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank had het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard, waarbij zij oordeelde dat er geen meer dan normale emotionele banden bestonden tussen de vreemdeling en haar in Nederland verblijvende dochter.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt echter dat de rechtbank en de staatssecretaris ten onrechte volstaan met deze beperkte vaststelling. De Afdeling verwijst naar haar eerdere jurisprudentie waarin is bepaald dat bij een beroep op artikel 8 EVRM Pro altijd een volledige belangenafweging moet worden verricht, waarbij alle relevante feiten en omstandigheden betrokken moeten worden.
Omdat de staatssecretaris deze belangenafweging niet heeft verricht, wordt het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van 25 juli 2021 vernietigd. De staatssecretaris wordt opgedragen binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de vreemdeling op de juiste wijze moet worden gehoord en een volledige belangenafweging moet plaatsvinden. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit van de staatssecretaris wordt vernietigd en een nieuw besluit moet binnen twaalf weken worden genomen met een volledige belangenafweging.