ECLI:NL:RVS:2022:2821
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verlenging inburgeringstermijn wegens onvoldoende medische gronden
Appellant heeft verzocht om verlenging van zijn inburgeringstermijn vanwege symptomatisch galsteenlijden en een galblaasoperatie. De minister heeft dit verzoek afgewezen op basis van een negatief medisch advies van een verzekeringsarts. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het bestuursorgaan terecht op het deskundigenadvies mocht vertrouwen, omdat appellant geen concrete aanknopingspunten heeft gegeven om aan de zorgvuldigheid of inhoud van het advies te twijfelen. De verzekeringsarts concludeerde dat appellant niet gedurende drie maanden aaneengesloten geheel niet in staat was om onderwijs te volgen. Bovendien is appellant in mei 2018 geslaagd voor vier examens, wat het onwaarschijnlijk maakt dat hij in die periode geen onderwijs kon volgen.
Daarnaast speelde appellant na de medische periode andere omstandigheden die het volgen van onderwijs bemoeilijkten, zoals verhuizing, schulden en gedwongen huisuitzetting. De rechtbank en de Raad van State oordeelden dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hem geen verwijt treft voor het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verlenging van de inburgeringstermijn bevestigd.