ECLI:NL:RVS:2022:2929
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering toestemming voor beveiligingswerkzaamheden wegens onvoldoende betrouwbaarheid
Appellant verzocht de korpschef van politie om toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden bij een beveiligingsbedrijf. De korpschef wees dit verzoek af op grond van artikel 7, vierde lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) en de beleidsregels, omdat appellant in het recente verleden zonder toestemming beveiligingswerkzaamheden had verricht.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de korpschef zich terecht op de beleidsregels had gebaseerd, waarbij geen harde terugkijktermijnen gelden en dat het ontbreken van een hardheidsclausule niet onredelijk is. Appellant stelde dat de beleidsregels onevenredig zijn en dat hij onterecht onbetrouwbaar werd geacht, maar de Raad van State verwierp deze bezwaren.
De Afdeling bestuursrechtspraak benadrukte dat de betrouwbaarheid van beveiligers boven iedere twijfel verheven moet zijn en dat de korpschef zich mag baseren op processen-verbaal en mutatierapporten. Ook is het dwingendrechtelijk kader van artikel 7, vierde lid, Wpbr zodanig dat geen ruimte bestaat voor een belangenafweging of voorwaardelijke toestemming. De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van toestemming bevestigd wegens onvoldoende betrouwbaarheid van appellant.