ECLI:NL:RVS:2022:3120
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- N. Verheij
- B. Meijer
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid bewaring vreemdeling ondanks gebrekkige ophouding
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 2 augustus 2022 in bewaring. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze maatregel, maar de rechtbank verklaarde dit beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling klaagde terecht dat de rechtbank onjuist had geoordeeld dat hij op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 mocht worden opgehouden. Uit het dossier bleek dat zijn identiteit al was vastgesteld vóór de ophouding en dat hij geen rechtmatig verblijf had. De Afdeling oordeelde echter dat de ophouding op grond van artikel 50, derde lid, had moeten plaatsvinden en dat dit formele gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring.
De Afdeling stelde vast dat de bewaring zelf rechtmatig was omdat een significant risico op onderduiken bestond, mede doordat de vreemdeling met onbekende bestemming was vertrokken. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de motivering. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt bevestigd ondanks een formeel gebrek in de ophouding; de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.