ECLI:NL:RVS:2022:3745
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot openbaarmaking documenten over dwangbevelen op grond van Wob
De zaak betreft een verzoek van appellant om openbaarmaking van diverse documenten met betrekking tot dwangbevelen op grond van artikel 26 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De minister heeft dit verzoek aanvankelijk afgewezen, waarna na bezwaar en beroep enkele documenten wel openbaar zijn gemaakt, met weglating van privacygevoelige informatie.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de doorzendplicht had nageleefd en dat de afweging tussen openbaarmaking en bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen, waaronder persoon B, juist was gemaakt. Ook was de minister gemotiveerd in het weigeren van openbaarmaking van bepaalde weggelakte onderdelen.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar documenten bij andere bestuursorganen, dat correspondentie met persoon B en deurwaarders openbaar moest worden gemaakt en dat de reikwijdte van het verzoek te beperkt was opgevat. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze bezwaren en bevestigde het oordeel van de rechtbank.
De Afdeling benadrukte dat de Wob van toepassing is omdat de besluiten voor 1 mei 2022 zijn genomen, dat de minister zorgvuldig heeft gehandeld in het kader van de doorzendplicht en dat de privacy van persoon B en andere medewerkers terecht is beschermd. Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.