ECLI:NL:RVS:2022:383
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake inreisverbod en vertrekopdracht vreemdeling
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 1 juni 2021 een besluit genomen waarin een vreemdeling werd opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod tegen hem werd uitgevaardigd. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 22 juni 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het hoger beroep richtte zich op een rechtsvraag die reeds eerder door de Afdeling was beantwoord, namelijk of de staatssecretaris in een terugkeerbesluit het land van terugkeer moet vermelden. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming van belang waren.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak, vertegenwoordigd door lid mr. C.C.W. Lange, op 9 februari 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.