Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2022:3930

Raad van State

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
21 december 2022
Zaaknummer
202207169/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen voorgenomen overdracht vreemdeling na niet-ontvankelijkverklaring verblijfsvergunningaanvraag

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 28 oktober 2022 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen. De vreemdeling heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 14 december 2022 ongegrond verklaarde. Vervolgens heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft op 20 december 2022 bij wijze van ordemaatregel bepaald dat de voorgenomen overdracht van de vreemdeling op 21 december 2022 niet zal plaatsvinden. Dit besluit is genomen mede omdat de termijn voor het instellen van hoger beroep nog niet was verstreken. Tevens is de staatssecretaris veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toerekenbaar zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

De uitspraak betreft een voorlopige voorziening in een vreemdelingenrechtelijke procedure waarbij de vreemdeling bescherming zoekt tegen een voorgenomen overdracht, en benadrukt het belang van het respecteren van de beroepstermijn en het waarborgen van een eerlijk proces.

Uitkomst: De voorgenomen overdracht van de vreemdeling op 21 december 2022 blijft achterwege en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202207169/2/V2.
Datum uitspraak: 20 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 14 december 2022 in zaak nr. NL22.22010 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 28 oktober 2022 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 14 december 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft op 16 december 2022 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 14 december 2022 en de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zijn voorgenomen overdracht op 21 december 2022 achterwege blijft. Alleen al omdat de hogerberoepstermijn nog niet is verstreken, treft de voorzieningenrechter bij wijze van ordemaatregel een voorlopige voorziening. Nadat de termijn is verstreken, zal de voorzieningenrechter uitspraak doen op het resterende deel van het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        treft bij wijze van ordemaatregel de voorlopige voorziening dat de voorgenomen overdracht op 21 december 2022 achterwege blijft;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 759,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Graat
griffier
307