ECLI:NL:RVS:2022:57
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen herziening vergoeding rechtsbijstand in High Trust-programma
De zaak betreft een hoger beroep van een rechtsbijstandverlener tegen de herziening van een eerder toegekende vergoeding door de raad voor rechtsbijstand binnen het High Trust-programma. De raad had de vergoeding na een steekproefcontrole aanzienlijk verlaagd, omdat het financieel belang van de cliënt onder de drempel van € 500,- werd geacht en daarom alleen een LAT-vergoeding passend was.
De rechtsbijstandverlener betoogde dat het financieel belang hoger was, mede door dreigende extra kosten en dat de cliënt vanwege ernstige persoonlijke omstandigheden juridische hulp nodig had. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard, maar de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde anders.
De Afdeling concludeerde dat het financieel belang inderdaad onder de € 500,- lag, maar dat de persoonlijke omstandigheden van de cliënt en de noodzaak van effectieve toegang tot het recht een toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigden. Daarom werd het besluit van de raad vernietigd en de oorspronkelijke vergoeding hersteld. Tevens werd de vergoeding van het betaalde griffierecht aan de rechtsbijstandverlener toegewezen.
Uitkomst: De oorspronkelijke vergoeding van € 1.285,59 wordt hersteld en het besluit tot verlaging vernietigd.