ECLI:NL:RVS:2022:600
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid asielaanvraag en inreisverbod ondanks toezegging non-refoulement
De vreemdeling diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel die door de staatssecretaris niet-ontvankelijk werd verklaard en waartegen een inreisverbod werd uitgevaardigd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het terugkeerbesluit uit 2013, waarop het inreisverbod is gebaseerd, voldoet aan de eisen van de Terugkeerrichtlijn, ondanks dat de staatssecretaris later namens de Nederlandse staat aan het EHRM een toezegging deed om de vreemdeling niet uit te zetten naar Canada of Somalië. De Afdeling stelde dat het niet uitvoeren van een terugkeerbesluit wegens het non-refoulementbeginsel niet in strijd is met het doel van de Terugkeerrichtlijn.
De overige grieven van de vreemdeling werden niet gegrond verklaard, mede omdat het hoger beroep geen vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en de staatssecretaris werd niet verplicht proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.