ECLI:NL:RVS:2022:857
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem
Appellant woont met zijn vrouw en vier kinderen in Den Haag en heeft een urgentieverklaring aangevraagd vanwege een te kleine woning die zijn psychische klachten verergert. Het college wees de aanvraag af op grond van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019, omdat een te kleine woning geen grond is voor urgentie en appellant onvoldoende reageerde op passend woningaanbod.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat het strenge beleid gerechtvaardigd is door de schaarste op de woningmarkt en dat één weigeringsgrond voldoende is voor afwijzing. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn gezondheidsklachten onvoldoende zijn meegewogen en dat zijn zoekgebied onredelijk breed is.
De Raad van State oordeelt dat het college terecht niet inhoudelijk op de aanvraag is ingegaan vanwege de weigeringsgronden uit artikel 4:5 van Pro de Huisvestingsverordening. Het te klein zijn van de woning vormt geen urgent huisvestingsprobleem en de onvoldoende reactie op woningaanbod is eveneens een geldige grond voor afwijzing. De hardheidsclausule is niet van toepassing vanwege de grote druk op de woningmarkt.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag voor een urgentieverklaring wordt afgewezen wegens het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem en onvoldoende reactie op passend woningaanbod.