ECLI:NL:RVS:2022:922
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken belang bij faciliterend visum na ongewenstverklaring
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 5 februari 2019 de aanvraag van een vreemdeling om een visum voor kort verblijf af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 13 augustus 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten op 22 juni 2021 ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het hoger beroep openstaat tegen een faciliterend visum wanneer een vreemdeling een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU Pro claimt. In deze zaak was echter van belang dat de vreemdeling sinds 19 maart 2013 ongewenst was verklaard en derhalve geen rechtmatig verblijf kon hebben zolang deze verklaring van kracht is.
Omdat de ongewenstverklaring niet was opgeheven, had de vreemdeling geen belang bij het beroep tegen het visumbesluit. Daarom werd het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en hoefde de staatssecretaris geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van het faciliterend visum is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang door een lopende ongewenstverklaring.