Uitspraak
Datum uitspraak: 30 maart 2022
Raad van State
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde appellant een boete op van €100 wegens het niet tijdig voldoen aan de inburgeringsplicht en bepaalde dat hij de lening voor de inburgeringscursus moest terugbetalen. De boete werd later gematigd tot €83. Appellant had vijf van de zes examenonderdelen tijdig behaald, maar slaagde pas na de termijn voor het onderdeel Oriëntatie op de Nederlandse Arbeidsmarkt (ONA).
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde de besluiten, maar zowel de minister als appellant gingen in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De minister moet de proceskosten vergoeden.
De Afdeling oordeelde dat appellant niet in aanmerking komt voor vrijstelling van de inburgeringsplicht op grond van zijn universitaire inschrijvingen en dat het niet tijdig behalen van het ONA-examen een overtreding van artikel 7b van de Wet inburgering vormt. De boete is passend en evenredig, mede gezien de behaalde examenonderdelen en cursusuren. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat de situaties niet vergelijkbaar waren.
De terugbetalingsverplichting van de lening blijft van kracht omdat appellant niet binnen de gestelde termijn aan zijn inburgeringsplicht heeft voldaan. De minister moet het griffierecht en proceskosten vergoeden.
Uitkomst: De boete van €83 en de terugbetalingsverplichting voor de lening worden gehandhaafd; het beroep wordt ongegrond verklaard.