ECLI:NL:RVS:2023:1166
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding na bouwstop wegens ontbreken asbestinventarisatie
Appellant kocht in 2018 een appartement en voerde binnenbouwwerkzaamheden uit. Het college legde op 4 december 2018 een last onder dwangsom op wegens het ontbreken van een omgevingsvergunning en asbestinventarisatie. Appellant overhandigde later een asbestrapport waaruit bleek dat geen asbest aanwezig was. Het college stelde de werkzaamheden alsnog toe. Appellant maakte bezwaar tegen de last onder dwangsom, dat werd ongegrond verklaard, maar de rechtbank vernietigde het besluit deels omdat geen omgevingsvergunning vereist was.
Appellant verzocht vervolgens om schadevergoeding wegens de bouwstop, onderbouwd met een factuur en verklaring van de aannemer. Het college wees dit af wegens onvoldoende bewijs van schade en het feit dat het besluit niet onrechtmatig was voor zover het op het ontbreken van het asbestrapport was gebaseerd. De rechtbank oordeelde dat het besluit niet onrechtmatig was en dat de schade onvoldoende was onderbouwd.
In hoger beroep betoogde appellant dat het besluit onrechtmatig was en dat de schade wel voldoende was aangetoond. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de schade onvoldoende objectief en verifieerbaar was aangetoond en dat dit oordeel de afwijzing van het schadevergoedingsverzoek rechtvaardigt, ongeacht de rechtmatigheid van het besluit. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van de schade.