ECLI:NL:RVS:2023:1244
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering doorzending klacht naar Raad van Discipline
Appellant diende een klacht in tegen een advocaat en verzocht de deken van de Orde van Advocaten Limburg deze klacht door te zenden naar de Raad van Discipline onder vrijstelling van griffierecht. De deken wees dit verzoek af. Appellant maakte bezwaar tegen deze weigering, waarop de deken bij besluit van 26 januari 2021 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk en het beroep tegen het besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat hij geen procesbelang had bij het beroep tegen het niet tijdig beslissen en dat de weigering een besluit met rechtsgevolgen is. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het doorzenden van een klacht geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb Pro is, omdat dit voortvloeit uit de tuchtrechtelijke taak van de deken en niet vatbaar is voor bezwaar. Ook is er geen recht op dwangsommen omdat het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk was.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om proceskostenvergoedingen af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.