ECLI:NL:RVS:2020:1603
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- J.J. van Eck
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen interventieverzoek deken advocatuur
Appellant is sinds 2013 betrokken bij juridische procedures om schade te verhalen op zijn voormalige accountant en diens verzekeraar, bijgestaan door een advocatenkantoor. Hij verzocht de deken om interventie tegen het advocatenkantoor wegens vermeende tegenstrijdige belangen en onrechtmatig gebruik van derdengelden.
De deken wees deze verzoeken af, stellende dat bestuursrechtelijke handhaving slechts mogelijk is voor bepaalde overtredingen zoals omschreven in artikel 45g van de Advocatenwet en de Verordening op de advocatuur (Voda). De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen de brief van de deken niet-ontvankelijk omdat het geen bestuursrechtelijk besluit betrof.
In hoger beroep betoogde appellant dat de deken een beginselplicht tot handhaving heeft en dat de situatie bestuursrechtelijke handhaving rechtvaardigt. De Raad van State oordeelde dat bestuursrechtelijke handhaving beperkt is tot specifieke overtredingen en dat de verzoeken van appellant daar niet onder vallen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de brief van de deken is niet-ontvankelijk.