ECLI:NL:RVS:2023:136
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring en beëindiging verblijfsrecht gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 22 januari 2019 vastgesteld dat de vreemdeling geen verblijfsrecht als gemeenschapsonderdaan in Nederland meer heeft en hem ongewenst verklaard. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 24 december 2020 ongegrond werd verklaard.
De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 21 november 2022 het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht niet-ontvankelijk verklaarde en het beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verzocht tevens om een voorlopige voorziening.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het hoger beroep geen aanleiding geeft tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, omdat het hogerberoepschrift geen relevante vragen bevat die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin dienen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.