ECLI:NL:RVS:2023:1752

Raad van State

Datum uitspraak
4 mei 2023
Publicatiedatum
4 mei 2023
Zaaknummer
202203241/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 56 Vw 2000Art. 84 Vw 2000Art. 91 Vw 2000
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak over overplaatsing en onbevoegdheid hoger beroep vrijheidsbeperkende maatregel

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 6 april 2022 een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd aan de vreemdeling, die tevens door het COa is overgeplaatst naar de Handhavings- en Toezichtlocatie in Hoogeveen. De vreemdeling heeft tegen deze besluiten beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag, die op 23 mei 2022 deze beroepen ongegrond verklaarde.

De vreemdeling stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelt dat de grieven tegen de overplaatsing geen aanleiding geven tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank en bevestigt dit oordeel. Ten aanzien van de vrijheidsbeperkende maatregel is hoger beroep niet mogelijk volgens artikel 84 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, tenzij sprake is van een oneerlijk proces, wat hier niet het geval is.

De Afdeling verklaart zich daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep voor zover dit gericht is tegen de vrijheidsbeperkende maatregel en bevestigt de uitspraak van de rechtbank voor het overige. Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd voor het hoger beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel en bevestigt de uitspraak van de rechtbank over de overplaatsing.

Uitspraak

202203241/1/V1.
Datum uitspraak: 4 mei 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 23 mei 2022 in zaken nrs. 22/2565 en NL22.5987 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
1.       het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: het COa), en
2.       de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 6 april 2022 heeft het COa de vreemdeling overgeplaatst naar de Handhavings- en Toezichtlocatie (hierna: HTL) in Hoogeveen.
Bij besluit van 6 april 2022 heeft de staatssecretaris de vreemdeling een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 23 mei 2022 heeft de rechtbank de tegen deze besluiten door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. S.C. van Paridon, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De eerste drie grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank over het besluit tot overplaatsing van de vreemdeling naar de HTL. Deze grieven leiden niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift in zoverre geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep is in zoverre ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt in zoverre bevestigd.
2.       De vierde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over een vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 56 van Pro de Vw 2000). Hiertegen kan geen hoger beroep worden ingesteld (artikel 84, aanhef en onder a, van de Vw 2000).
2.1.    Het verbod op hoger beroep kan worden doorbroken als er geen eerlijk proces is geweest. Maar die situatie doet zich hier niet voor. Wat de vreemdeling tegen het oordeel van de rechtbank over de vrijheidsbeperkende maatregel aanvoert, gaat in wezen over de rechtmatigheid van het besluit tot overplaatsing en ook overigens is er geen reden om het hoger beroep toch in behandeling te nemen.
2.2.    De Afdeling is in zoverre onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
3.       Het COa hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de vrijheidsbeperkende maatregel;
II.       bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. Lange
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2023
392