ECLI:NL:RVS:2023:1845
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Toepassing hardheidsclausule bij weigering uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven
De zaak betreft een aanvraag van een nabestaande voor een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) na het overlijden van haar zoon door een politie-inzet. De CSG wees de aanvraag af omdat het incident niet kwalificeert als een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf volgens artikel 3 van Pro de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg). De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en paste de hardheidsclausule toe, waardoor een uitkering werd toegekend.
In hoger beroep stelde de CSG dat de hardheidsclausule niet toegepast kan worden als er geen sprake is van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf, omdat dit een essentiële voorwaarde is voor een uitkering. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de hardheidsclausule algemeen is geformuleerd en niet beperkt is tot gevallen met een opzettelijk geweldsmisdrijf. De CSG kan in schrijnende gevallen afwijken van de wet, ook als het geweld niet strafbaar blijkt.
De Afdeling stelde echter vast dat de rechtbank onvoldoende terughoudendheid betrachtte door zelf toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Het is primair aan de CSG om te beoordelen of toepassing van de hardheidsclausule gerechtvaardigd is. De uitspraak van de rechtbank wordt daarom vernietigd voor zover deze de hardheidsclausule toepaste en een uitkering toekende. De CSG hoeft geen nieuw besluit te nemen, aangezien de aanvrager het reeds uitgekeerde bedrag mag behouden.
Deze uitspraak verduidelijkt de reikwijdte en toepassing van de hardheidsclausule in de Wsg, benadrukt de beleidsruimte van de CSG en het terughoudende karakter van de rechterlijke toetsing.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover de hardheidsclausule werd toegepast en de uitkering werd toegekend; de CSG behoudt beleidsruimte en hoeft geen nieuw besluit te nemen.