ECLI:NL:RVS:2023:186
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en weigering omzettingsvergunningen wegens onvoldoende motivering en inconsistent beleid
Appellant heeft op twee zelfbouwkavels woningen gebouwd die zijn gesplitst in vier zelfstandige woningen. Hij vroeg vergunningen aan om deze om te zetten naar twaalf onzelfstandige woonruimten. Omdat het college te laat besliste, werden de vergunningen van rechtswege verleend. Een derde partij maakte bezwaar, waarna het college de vergunningen introk en alsnog weigerde.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt deze uitspraak. Het college baseerde de weigering op het belang van behoud van de samenstelling van de woonruimtevoorraad in een kwetsbare wijk, waar het toevoegen van eengezinswoningen de leefbaarheid zou versterken. De Afdeling oordeelt dat het college dit beleid onvoldoende consistent en concreet heeft gemotiveerd.
Het college verwees naar beleidsdocumenten zonder juridische status en gaf geen duidelijkheid over de criteria voor het al dan niet verlenen van vergunningen. Ook werden vergelijkbare vergunningen in dezelfde wijk wel verleend, wat de motivering ondermijnt. De Afdeling beveelt het college aan binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak en veroordeelt het college tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van het college tot intrekking en weigering van omzettingsvergunningen wordt vernietigd.