ECLI:NL:RVS:2020:1157
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke toetsing vergunningplicht woningvorming in nulquotumgebieden Rotterdam
Neva Vastgoed B.V. diende aanvragen in voor vergunningen om twee panden in Rotterdam te verbouwen tot zelfstandige woonruimten. Het college van burgemeester en wethouders wees deze aanvragen af op grond van de Huisvestingsverordening 2017, die een vergunningplicht voor woningvorming in zogenoemde nulquotumgebieden instelt.
De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de Huisvestingsverordening 2017 onverbindend is wegens strijd met artikel 2 van Pro de Huisvestingswet 2014, omdat de gemeenteraad niet had onderbouwd dat er sprake was van schaarste aan goedkope woonruimte. De rechtbank vernietigde de besluiten en bepaalde dat Neva geen vergunningplicht kon worden opgelegd.
Het college stelde hoger beroep in, stellende dat de verordening mede gebaseerd is op de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek en dat er wel degelijk sprake is van dynamische schaarste. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt echter dat de gemeenteraad onvoldoende heeft onderbouwd dat in de betrokken wijken sprake was van schaarste aan goedkope woonruimte buiten de gereguleerde huursector, waardoor de vergunningplicht niet kan worden gehandhaafd.
De Afdeling oordeelt dat het college terecht geen vergunningplicht aan Neva kon opleggen en bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan Neva.
Uitkomst: De vergunningplicht voor woningvorming in de betrokken panden wordt niet gehandhaafd wegens onvoldoende onderbouwing van schaarste aan goedkope woonruimte.