ECLI:NL:RVS:2024:1207
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over vertrektermijn Poolse gemeenschapsonderdaan
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde bij besluit van 14 april 2021 vast dat de vreemdeling, een Poolse gemeenschapsonderdaan, geen verblijfsrecht meer had en droeg hem op Nederland binnen 28 dagen te verlaten. Na bezwaar verklaarde de staatssecretaris bij besluit van 11 juli 2022 het bezwaar ongegrond en bepaalde een vertrektermijn van een maand. De rechtbank oordeelde op 25 mei 2023 dat deze termijn niet voldeed aan de Verblijfsrichtlijn en stelde een minimale vertrektermijn van een maand vast.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vertrektermijn niet voldeed aan artikel 30, derde lid, van de Verblijfsrichtlijn. De Afdeling bevestigde dat de formulering 'binnen een maand' overeenkomt met een volledige maand zoals bedoeld in de richtlijn.
Hierdoor werd het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.