ECLI:NL:RVS:2023:218

Raad van State

Datum uitspraak
18 januari 2023
Publicatiedatum
18 januari 2023
Zaaknummer
202203955/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:3 AwbArt. 8:54 AwbArt. 29, tweede lid, aanhef en onder b Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf jongvolwassene nareis

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 6 mei 2021 de aanvraag van een Iraanse jongvolwassene om een machtiging tot voorlopig verblijf af, omdat hij niet voldeed aan het jongvolwassenenbeleid en er geen meer dan normale emotionele banden met de referent bestonden. De rechtbank bevestigde deze afwijzing op 3 juni 2022. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de leeftijd van de vreemdeling als harde grens hanteerde en onvoldoende rekening hield met de overige vereisten van het jongvolwassenenbeleid. Tevens was het besluit ondeugdelijk gemotiveerd doordat de medische situatie en zorgbehoefte niet voldoende waren meegewogen. Daarnaast stelde de Afdeling vast dat de staatssecretaris ten onrechte afzag van het horen van de vreemdeling over het bezwaar, terwijl dit bij een zaak met een rol voor artikel 8 EVRM Pro wel vereist is.

De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 18 november 2021, verklaarde het hoger beroep gegrond en beval de staatssecretaris tot een nieuwe beoordeling van het bezwaar met inachtneming van de hoorplicht, tenzij een wettelijke uitzondering van toepassing is. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de staatssecretaris wordt opgedragen het bezwaar opnieuw te beoordelen met inachtneming van de hoorplicht.

Uitspraak

202203955/1/V1.
Datum uitspraak: 18 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 juni 2022 in zaak nr. NL21.19078 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 6 mei 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 november 2021 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 3 juni 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. R. Hijma, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De vreemdeling is geboren op [geboortedatum] 1993, heeft de Iraanse nationaliteit en wil bij zijn vader, referent, verblijven in het kader van nareis. De moeder en het minderjarige zusje van de vreemdeling verblijven al bij referent in Nederland in het kader van nareis.
2.       Omdat de vreemdeling de meerderjarige zoon van referent is, heeft de staatssecretaris beoordeeld of hij in aanmerking komt voor nareis op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. De staatssecretaris heeft de aanvraag afgewezen. Hij heeft zich onder verwijzing naar paragraaf C2/4.1.1 en paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000 op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aan de vereisten uit het jongvolwassenenbeleid voldoet en dat er tussen de vreemdeling en referent ook geen ‘more than the normal emotional ties’ bestaan.
3.       De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling niet aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid voldoet. Zij heeft overwogen dat de vreemdeling op de datum van inreis van referent 25 jaar oud was en de staatssecretaris hem daarom terecht in beginsel niet als jongvolwassene beschouwt. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de medische omstandigheden van de vreemdeling niet maken dat de staatssecretaris hem wel als jongvolwassene had moeten beschouwen. Dat de vreemdeling wellicht wel aan de overige vereisten van het jongvolwassenenbeleid voldoet is volgens de rechtbank niet relevant omdat het gaat om cumulatieve vereisten, wat inhoudt dat aan alle vereisten moet worden voldaan. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er tussen de vreemdeling en referent geen ‘more than the normal emotional ties’ bestaan.
4.       In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij niet aan de vereisten van het jongvolwassenenbeleid voldoet. Hij verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 28 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1260, en 23 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1775, over de toepassing van het jongvolwassenenbeleid. Hij betoogt dat hij in ieder geval aan drie van de vier vereisten van het beleid voldoet, wat samen met het feit dat hij pas net 25 jaar oud was op het moment dat referent Nederland inreisde, maakt dat het beleid op hem van toepassing is, omdat hij dus ‘ongeveer 25’ is.
4.1.    Uit de uitspraken van de Afdeling van 28 april 2022, onder 4, en 23 juni 2022, onder 2, volgt dat de staatssecretaris bij de beoordeling of een vreemdeling jongvolwassen is niet mag volstaan met een enkele verwijzing naar de leeftijd, maar steeds een op het geval toegespitste beoordeling moet maken en daarbij alle van belang zijnde aspecten kenbaar mee moet wegen. Het gaat daarbij ook niet om een harde grens van 25 jaar, maar ‘ongeveer 25 jaar’. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat het in die beoordeling niet relevant is dat de vreemdeling wellicht wel aan de overige vereisten van het jongvolwassenenbeleid voldoet. De jongvolwassenheid is weliswaar een afzonderlijk vereiste binnen het jongvolwassenenbeleid, maar de vraag of een vreemdeling van 25 jaar of ouder nog jongvolwassen is hangt wel samen met de vraag of hij nog in gezinsverband samenleeft met zijn ouders, of hij in zijn eigen onderhoud voorziet en of hij zelfstandig een gezin heeft gevormd. Ook de leeftijd van de vreemdeling kan in die beoordeling een rol spelen. De rechtbank heeft daarom niet onderkend dat de staatssecretaris, door alleen de medische situatie van de vreemdeling en diens zorgbehoefte in zijn beoordeling te betrekken, ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen toepassing heeft gegeven aan het jongvolwassenenbeleid.
Grief 1 slaagt.
5.       De vreemdeling klaagt in grief 3 ook terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris ervan kon afzien hem te horen over het gemaakte bezwaar. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5, heeft overwogen, geldt het uitgangspunt dat de staatssecretaris een vreemdeling in bezwaar moet horen met name in zaken waarin artikel 8 van Pro het EVRM een rol speelt. Gelet op wat de vreemdeling in bezwaar heeft aangevoerd over zijn medische situatie en de intensiteit van zijn gezinsleven met zijn ouders, kan niet worden gezegd dat er redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een ander standpunt dan vervat in het besluit van 6 mei 2021.
Grief 3 slaagt.
6.       Omdat grieven 1 en 3 slagen, komt de Afdeling niet toe aan bespreking van grief 2 over de vraag of tussen de vreemdeling en referent ‘more than the normal emotional ties’ bestaan.
7.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder aanvoert te bespreken. Het beroep is gegrond en het besluit van 18 november 2021 wordt vernietigd. De staatssecretaris zal een nieuw besluit moeten nemen op het door de vreemdeling gemaakte bezwaar en hem daarvoor moeten horen, tenzij zich een uitzondering als genoemd in artikel 7:3, aanhef en onder c, d of e, van de Awb voordoet. De staatssecretaris moet in dat besluit in eerste instantie opnieuw beoordelen of de vreemdeling onder het jongvolwassenenbeleid valt. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 3 juni 2022 in zaak nr. NL21.19078;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.      vernietigt het besluit van 18 november 2021, V-[…];
V.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.511,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
VI.      gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdeling het door hem voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 455,00 vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, griffier.
w.g. Verburg
voorzitter
w.g. Schuurman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 januari 2023
282-999