ECLI:NL:RVS:2023:2473
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- J.M. Willems
- Rechtspraak.nl
Vaststelling redelijkheid terugkeer minderjarige asielzoeker naar Oostenrijk
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid verklaarde de asielaanvraag van een minderjarige uit Syrië niet-ontvankelijk omdat zij al internationale bescherming geniet in Oostenrijk, waar zij bijna twee jaar verbleef. De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek had gedaan naar de begeleiding en gezinshereniging in Oostenrijk en vernietigde het besluit.
De Raad van State stelt dat de Dublinverordening niet van toepassing is omdat de vreemdeling al bescherming geniet in Oostenrijk, maar benadrukt dat de belangen van het kind wel degelijk moeten worden betrokken bij de beoordeling. De staatssecretaris heeft volgens de Raad van State de belangen van de minderjarige adequaat meegewogen, onder meer door te wijzen op familie in Oostenrijk en de aanwezigheid van begeleiding.
De Raad van State concludeert dat de staatssecretaris voldoende heeft gemotiveerd waarom het redelijk is dat de vreemdeling terugkeert naar Oostenrijk. De rechtbank heeft dit niet goed beoordeeld, waardoor het hoger beroep gegrond is en het beroep alsnog ongegrond wordt verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag blijft in stand.