ECLI:NL:RVS:2023:2964
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- E.J. Daalder
- H.J.M. Besselink
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen onvoldoende tentamencijfer na toepassing raadkanscorrectie
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het tentamencijfer 5,4 dat zij kreeg voor het vak Belasting- en Ondernemingsrecht, waarbij een raadkanscorrectie werd toegepast. Zij betoogde dat deze correctie niet wettelijk was vastgelegd, strijdig was met de tienpuntsschaal en dat zij op grond van het vertrouwensbeginsel recht had op een hogere beoordeling.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelt vast dat de beoordeling van het tentamen onder de reikwijdte van artikel 8:4 Awb Pro valt, waardoor inhoudelijke toetsing van de raadkanscorrectie niet mogelijk is. Wel is beoordeeld of de procedurele voorschriften zijn nageleefd en of de beoordeling onzorgvuldig was.
Hoewel de raadkanscorrectie niet schriftelijk was vastgelegd en niet op het tentamen vermeld stond, heeft de Afdeling geoordeeld dat dit niet leidt tot vernietiging van de beoordeling. De correctie beïnvloedde niet de mogelijkheid om het tentamen te maken en is een algemeen aanvaard instrument om de kwaliteit van tentamens te waarborgen.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat het algemeen belang bij betrouwbare tentamenresultaten zwaarder weegt dan het individuele belang van appellant. Ook andere bezwaren, zoals het ontbreken van een vierogenprincipe en onvoldoende deskundigheid van de examinator, zijn ongegrond verklaard.
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond en bevestigt daarmee het cijfer 5,4, ondanks dat appellant het tentamen later met een 6,9 heeft behaald.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen het toegekende tentamencijfer is ongegrond verklaard en het cijfer blijft gehandhaafd.