ECLI:NL:RVS:2023:3046
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens verstreken overdrachtstermijn Dublinverordening
Bij besluit van 16 november 2020 stelde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde op 23 november 2020 het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanaf het begin en beval de opheffing van de bewaring. Tevens werd schadevergoeding toegekend.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat het bezwaar van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfstitel als slachtoffer van mensenhandel de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening niet opschortte. Hierdoor was de uiterste overdrachtstermijn verstreken bij het opleggen van de bewaring, wat betekende dat de staatssecretaris een verkeerde wettelijke grondslag (artikel 59a Vreemdelingenwet 2000) hanteerde.
De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep van de staatssecretaris af. Er was geen aanleiding tot ambtshalve toetsing en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 9 augustus 2023 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de bewaring onrechtmatig was en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.